SPIKE™ Essential

Habitats

Sofie heeft geleerd over de omgevingen waar giraffen leven. Ze vraagt zich af welke andere dieren daar ook leven. En hoe zit het met andere omgevingen? Kun jij haar helpen om dat te leren?

45-90 min
Intermediair
Groep 4
45345_Science_U2_L3_Web_thumbnail_b.png

Voorbereiden

(LET OP: Deze les bevat een deel A en een deel B. Beide delen zijn belangrijk om de standaard volledig te kunnen leren. Als de tijd beperkt is, bekijk dan beide delen om elementen te kiezen die aansluiten op de behoeften van je leerlingen.)

In deze les is het belangrijkste leerproces het waarnemen van de diversiteit van het leven in verschillende habitats. Het ontwerpen en bouwen van een model is een leuke, praktische manier om meer te leren over de diversiteit in een habitat. Door de habitats van klasgenoten te vergelijken, leer je meer over diversiteit in verschillende omgevingen. Moedig je leerlingen aan om hun ideeën voor een gekozen habitat en de planten en dieren die erin leven uit te werken. Benadruk dat er niet één juist model is.
Overweeg om één habitat toe te wijzen aan meerdere groepjes van twee. Elk paar bouwt een dier uit hun toegewezen habitat en elk habitatgroepje werkt vervolgens samen om hun dieren samen te brengen in één model van de habitat. Breng ten slotte iedereen bij elkaar om alle planten en dieren in de verschillende habitats met de hele klas samen te vergelijken. Wijs indien nodig habitats toe om diversiteit te garanderen, waardoor er later vergelijkingen mogelijk zijn.

  • Wetenschappelijke achtergrond - Habitats:
    • Een habitat is de natuurlijke thuisbasis voor een plant of dier. Elke soort habitat ondersteunt een verscheidenheid aan soorten planten en dieren.
    • Voor dieren biedt een habitat het voedsel, het water, de klimaatomstandigheden (temperatuur, vochtigheid) en de beschutting die ze nodig hebben om te overleven.
    • Voor planten biedt een habitat het type licht en bodem, en de klimaatomstandigheden (temperatuur, vochtigheid) die het soort plan nodig heeft.
    • Enkele veel voorkomende habitats op het land zijn savanne, bos, woestijn, berg, grasland. Habitats in het water zijn bijvoorbeeld oceanen, rivieren, beken, meren, vijvers en moerassen.
    • Voor jonge leerlingen is het misschien een goed idee om te beginnen met heel eenvoudige en vertrouwde 'habitats' zoals speeltuinen, achtertuinen, parken of tuinen, die leerlingen persoonlijk kunnen observeren.
  • Voorkennis opbouwen - Habitats: Deel informatie, afbeeldingen en definities met behulp van je belangrijkste wetenschappelijke materialen om zo voorkennis op te bouwen.
    • Bespreek wat je leerlingen weten over verschillende habitats op aarde en de soorten planten en dieren die in elke habitat leven, inclusief die in de buurt van je schoolgemeenschap. Leerlingen leren via deze activiteit meer over het onderwerp.
    • Denk aan veel voorkomende planten en dieren in habitats die de klas heeft bestudeerd of die zich in de buurt van je schoolgemeenschap bevinden, inclusief eenvoudige voorbeelden zoals parken, vijvers of achtertuinen.
    • Belangrijkste woordenschat: habitat, diversiteit
  • Bouw- en programmeerervaring: Overweeg de suggesties in het Lesplan. Voor deze les kun je ook:
    • De oefenactiviteit De kleursensor in het menu Starten van de SPIKE app doorlopen.
    • Gebruik de secties Gebeurtenisblokken, Blok kleursensor en Geluidsblokken van het menu Help > Pictogramblokken in de SPIKE App voor meer ondersteuning.
  • Materialen Zoek boeken, materialen of online bronnen die geschikt zijn voor de leeftijd van je leerlingen over de verschillende habitats. (Zoekterm: habitats + locatie, bijv. Nederland, je provincie, Europa). Gebruik sites van overheidsinstanties, wetenschappelijke organisaties en onderwijsinstellingen. Bepaal hoe je bronnen met studenten gaat delen.
  • Als je de activiteit Verlenging wilt gebruiken, zoek dan leermateriaal over bedreigde dieren of planten in de habitats die in de klas worden weergegeven.

DEEL A (45 minuten)

Activeren

(Hele klas, 10 minuten)

U2L1_Engage.png
  • Introduceer de hoofdpersoon/hoofdpersonen van het verhaal en de eerste uitdaging: Sofie heeft geleerd over de omgevingen waar giraffen leven. Ze vraagt zich af welke andere dieren daar ook leven. En hoe zit het met andere omgevingen? Kun jij haar helpen om dat te leren?

  • DENKEN: Breng een korte bespreking van het lesonderwerp op gang, eventueel met behulp van de verhaalafbeelding.

    • Wat is een habitat? (Het natuurlijke leefgebied of de natuurlijke omgeving van een dier, plant of ander organisme; habitats zijn de thuisbasis van allerlei verschillende levende wezens.)
    • Wat zijn een aantal voorbeelden van habitats? Wat vind je in de habitat van elk dier? (Bossen, graslanden, savannes, bergen, oceanen, zoet water zoals een vijver, beek of meer; woestijnen, polen en toendra; elke habitat bevat wat de dieren erin nodig hebben om te overleven, inclusief planten zoals bomen, grassen, struiken en bloeiende planten en dieren zoals hagedissen, eekhoorns, vissen en kokkels.)
    • Waar leven giraffen? Beschrijf hun habitat. (Giraffen leven voornamelijk in savannes. Savannes zijn open ruimtes met voornamelijk grassen en andere korte planten, maar savannes kunnen ook struiken en bomen hebben.)
    • Wat zijn enkele andere dieren of planten die in dezelfde habitat leven als giraffen? (Zebra's, olifanten, leeuwen, etc.; grassen, bomen, struiken, etc.)
    • Kies een habitat om te verkennen en te bouwen. Daarna ga je deze vergelijken met de habitats die je klasgenoten bouwen.
  • Geef elke groep een SPIKE Essential Set en apparaat.

Onderzoeken

(Kleine groepjes, 25 minuten)

  • Als de leerlingen aan het werk zijn, kun je de onderstaande voorbeelden gebruiken als ondersteuning bij het bouwen of programmeren. Maak duidelijk dat de afbeeldingen ideeën tonen voor één dier en habitat, maar dat de leerlingen dieren moeten bouwen voor hun gekozen of toegewezen habitat.

  • Laat leerlingen:

    • De beschikbare materialen gebruiken om meer te weten te komen over een bepaalde habitat.
    • Het basismodel gebruiken om een habitat te BOUWEN (toegewezen of zelf gekozen), inclusief de planten en dieren.
    • Hun model PROGRAMMEREN om te laten zien hoe dieren in die habitat leven.
  • Brainstorm samen over manieren om de SPIKE Essential Set te combineren met verschillende knutselmaterialen om een habitat te maken.
    Maak duidelijk dat het basismodel voor een giraf en een boom is, maar dat de leerlingen dieren moeten bouwen voor hun gekozen of toegewezen habitat.

  • Laat de leerlingen halverwege de werktijd ideeën uitwisselen volgens een vertrouwde routine in de klas en geef ze vervolgens de tijd om hun modellen aan te passen met inspiratie uit de zojuist gedeelde ideeën.

Voorbeeldideeën

45345_Science_U2_L3_Web_Overlay.png
SPIKE Essential Habitats - en

Uitleggen

(Hele klas, 10 minuten)

  • Verzamel leerlingen om het werk te bespreken.  Vraag hen om de verschillende soorten planten en dieren die ze in elke habitat zien op te merken en te noteren.

  • Laat elke groep hun model gebruiken om het volgende te demonstreren en te beschrijven:

    • Hoe hun habitat eruit ziet.
    • Welke planten en dieren er in die habitat leven.
  • Vraag de leerlingen nadat alle groepen hebben gepresenteerd om te vertellen wat ze hebben waargenomen.

    • Hoe zien de habitats eruit die door andere groepen zijn gebouwd?
    • Welke planten en dieren leven er?
    • Wat is er vergelijkbaar aan de planten en dieren in de verschillende habitats? Wat is er verschillend?

Als je door wilt gaan naar deel B — Uitleggen, laat de leerlingen dan hun modellen intact houden.

DEEL B (45 minuten)

Uitleggen

(Hele klas, 5 minuten)

  • Herhaal de stappen uit Deel A - Uitleggen om extra groepen hun leerproces te laten demonstreren en uitleggen.

Uitbreiden

(Hele klas, 35 minuten)

  • (5 min)

    • Organiseer een methode om informatie met elkaar te delen, zoals een Galerij (leerlingen lopen rond langs presentatoren) of Hoeken (wijs elke hoek van het lokaal een habitat toe en laat leerlingen rondlopen om meerdere voorbeelden te bekijken).
    • Laat de leerlingen hun observaties noteren met startzinnen ("Ik zag dieren zoals...", "Ik zag planten zoals...") in een twee kolommen (planten - dieren) voor elk soort habitat, via audio/video of met geannoteerde foto's.
  • (25 min) Laat de leerlingen een model bedenken en testen waarmee ze de volgende uitdaging in de app kunnen voltooien:

    • Vergelijk de diversiteit van planten en dieren in verschillende habitats. Gebruik wat je hebt waargenomen.
    • Programmeer een van de groepen planten of dieren om te laten zien hoe de habitat hetzelfde is als of verschilt van andere habitats.
  • (5 minuten) Vraag je leerlingen om kennis, ideeën of vaardigheden te delen die:

    • hebben geholpen om de uitdaging te voltooien.
    • ze al doende hebben geleerd.
  • Vraag je leerlingen om de sets en werkplekken op te ruimen.

Evalueren

(Hele klas, 5 minuten)

  • Stel sturende vragen om leerlingen aan het denken te zetten over hun beslissingen tijdens het bedenken, bouwen en programmeren.

Observatiechecklist

  • Neem de leerdoelen door (vak Ondersteuning voor de leraar).

  • Gebruik de checklist om de voortgang van de leerlingen te observeren:

    • Hun schriftelijke, auditieve of visuele verslag omvat observaties van de planten en dieren in de verschillende besproken habitats.
    • Ze gebruiken waarnemingen om veel voorkomende planten en dieren in verschillende habitats te beschrijven.
    • Ze noteren nauwkeurig wat vergelijkbaar of juist verschillend is aan de planten en dieren binnen een habitat en in verschillende habitats.
    • Ze bouwen een model van een habitat met passende planten en dieren.

Zelfevaluatie

Laat alle leerlingen een steen kiezen die volgens hen het best hun prestatie weergeeft.

  • Blauwe steen: Met een beetje hulp kan ik instructies opvolgen om een programma te maken.
  • Gele steen: Ik kan instructies opvolgen om een programma te maken.
  • Groene steen: Ik kan instructies opvolgen om een programma te maken en ik kan een klasgenoot hierbij helpen.

Feedback met klasgenoten

Laat de leerlingen in kleine groepjes bespreken hoe ze de samenwerking hebben ervaren.
Moedig ze aan om hun boodschap als volgt te verwoorden:

  • Ik vond het leuk dat je...
  • Ik zou graag willen weten hoe je...

Differentiatie

Vereenvoudig deze les door:

  • Leerlingen een model te laten bouwen met één specifiek dier of specifieke plant die in een habitat leeft, waarbij ze een habitat toegewezen krijgen die de klas heeft bestudeerd of een die in de buurt van de school te vinden is, zoals een nabijgelegen vijver of park.

Verhoog de moeilijkheidsgraad door:

  • Voort te borduren op de uitdaging Uitbreiden. Laat groepjes leerlingen twee van hun dieren programmeren die op de een of andere manier op elkaar reageren, of vraag meerdere groepen om aangrenzende habitats te bouwen waartussen dieren kunnen bewegen.

Verlenging

  • Zorg voor lesmateriaal over bedreigde dieren of planten in de habitats die in de klas vertegenwoordigd zijn. Laat de leerlingen een voorbeeld kiezen om te verkennen. Laat ze in geschreven of gesproken vorm om verandering vragen in de vorm van 1) een ansichtkaart van het dier, 2) een geschreven of opgenomen openbare dienstmededeling, of 3) een brief aan de schoolkrant.

Als je de leerlingen hiermee aan de slag laat gaan, duurt de les langer dan 45 minuten.

Ondersteuning voor de leraar

De leerlingen:

  • Doen waarnemingen van de soorten planten en dieren die in verschillende habitats leven.
  • Vergelijken de diversiteit van het leven in verschillende habitats.
  • Bouwen een model dat belangrijke kenmerken van een habitat laat zien, waaronder de planten en dieren die er leven.

(één per twee leerlingen)

  • LEGO® Education SPIKE Essential Set
  • Apparaat met de LEGO Education SPIKE app
  • Zie Voorbereiden - Materialen.

Kerndoelen PO

Natuur en Techniek

  • De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende planten en dieren onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving. (KD 40)
  • De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik. (KD 44)
  • De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren. (KD 45)

Taal

  • De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren. (KD 2)

Rekenen

  • De leerlingen leren handig optellen. (KD 29)

21e Eeuwse vaardigheden

Computational thinking

  • De leerlingen leren modulaire programma’s te ontwerpen, schrijven en evalueren.

Wetenschap en Technologie

  • De leerlingen ontwikkelen een nieuwsgierige, exploratieve houding.
  • De leerlingen ontwikkelen kennis en inzicht over onderwerpen uit hun leefwereld.
  • De leerlingen leren onderzoeken en ontwerpen.
  • De leerlingen leren prototypes ontwikkelen, testen en verfijnen als onderdeel van een ontwerpproces.

Uitbreiding

Taal

  • De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren, overtuigen of plezier verschaffen. (KD 5)

Materiaal voor de leerlingen

Leerlingenwerkblad

Downloaden, bekijk of deel als online HTML-pagina of als een afdrukbare pdf.

LEGO, the LEGO logo, the Minifigure, DUPLO, the SPIKE logo, MINDSTORMS and the MINDSTORMS logo are trademarks and/or copyrights of the LEGO Group. ©2024 The LEGO Group. All rights reserved. Use of this site signifies your agreement to the terms of use.